• Foto: Aart Aalbers/BDU

Commentaar: Met dedain over raad spreken geeft geen pas

VEENENDAAL Over vijf weken is het zover: de gemeenteraadsverkiezingen. Altijd een spannende tijd, zeker voor de in de raad vertegenwoordigde partijen en die als nieuwkomer staan te trappelen een zetel of wat te veroveren. Je hoort in deze periode steevast optimistische geluiden. Afgaand op de verwachte zetelwinst gaat de Veenendaalse raad straks bestaan uit pakweg vijftig tot zestig zetels, in plaats van het maximale aantal van 33. In het achterhoofd wordt er uiteraard wel enige rekening mee gehouden dat het tegen kan vallen, maar dat is een zorg voor later, na 21 maart.

Dit is ook de periode dat de politieke partijen veel in de openbare ruimte te zien en te horen zijn. Er zijn er maar weinig die dat de volle vier jaar volhouden. Er worden ook meer dan in andere tijden schriftelijke vragen aan het college gesteld. Dat levert immers publiciteit op. Tweemaal zelfs want het college moet er ook weer schriftelijk op antwoorden. Een politieke partij, niets menselijks is ze vreemd. Er wordt her en der nogal eens met zeker dedain over de raad en over raadsleden gesproken. Dat is volkomen ten onrechte. Het zijn mensen die het goed voor hebben met de gemeente waarin ze wonen, die veel tijd steken in het raadswerk en die daarvoor een karige vergoeding krijgen, 1460 euro maandelijks in Veenendaal. Volgens een verhaal in de NRC zou een krantenwijk meer opleveren, naar uurtarief omgerekend. 

Verder geeft het raadslid zijn geen status, blijkt uit een enquête van een tiental regionale kranten in Zuid- en Noord-Holland onder bijna 1300 raadsleden. Veenendaal heeft gelukkig (nog) niet te maken met een fenomeen dat zich in andere gemeenten wel afspeelt: politieke partijen die niet meedoen aan de verkiezingen omdat er geen kandidaat raadsleden gevonden kunnen worden, en zeker geen kwalitatieve raadsleden.

Op 21 maart kunnen in 335 gemeenten tien miljoen mensen hun stem uitbrengen, zij wijzen achtduizend raadsleden aan. Vier jaar geleden was de opkomst 54 procent, traditioneel lager dan bij Tweede Kamerverkiezingen. Ook wat dit betreft scoort Veenendaal niet slecht, in 2014 bedroeg de opkomst 61,8 procent. Het is overigens in de afgelopen 35 jaar ook in Veenendaal wel gedaald want in 1982 bedroeg de opkomst nog 70,6 procent. 

De verkiezingsprogramma´s zien er soms fraai uit, maar verhelderen niet altijd wat daadwerkelijk de daden zijn. Iedereen is voor een gevarieerd cultureel aanbod, voor goede zorg, voor betaalbare en goede woningen, voor doorstroming, voor voldoende groen, voor goed onderwijs en voor aanpak van criminaliteit. Het gaat om het maken van keuzes en daarvoor moet je de fracties vier jaar goed volgen.

Maar ja, wie heeft daar tijd voor en zin in? Een goed raadslid past niet op de winkel, maar gaat ook de voordeur uit. 

 

Gerard van Wijk