• Collectie H.P. Deijs
  • Aart Aalbers
  • Collectie GAV

Angst regeert in barre tijden

VEENENDAAL Het is dit jaar alweer 126 jaar geleden dat de Grebbedijk tussen Wageningen en Rhenen dreigde te bezwijken. Dit keer door het hoge water in combinatie met kruiend ijs. Het was in januari 1891. Na een periode van bijna twee maanden strenge vorst begonnen te dooien. De Veenendalers waren bang en men begon zijn spulletjes naar hoger gelegen ruimtes te verhuizen. Veenendaler Verhoef maakte er later dat jaar een gedicht op.

Aart Aalbers

De winter van 1890/1891 was een ouderwetse winter zoals de oudere Veenendalers dat noemen. Op 26 november 1890 begon het al te vriezen en pas op 23 januari 1891 zette de dooi in. Al die tijd vroor het 's nachts tussen de 10 en 16 graden. Bekend is dat het op 17 december 1890 zo hard vroor dat in combinatie met een harde oostenwind in Havelte drie kinderen dood vroren.

Ongeveer honderd Urker vissers die op de Zuiderzee aan het vissen waren raakten ingevroren. Ze besloten om hun schip te verlaten en liepen over het ijs naar Kampen. Plaatselijk was het ijs in Nederland maar liefst 70 tot 80 centimeter dik.

De dijkdoorbraak van 1855 lag in 1891 bij de oudere Veenendalers nog vers in het geheugen. Het was dan ook niet verwonderlijk dat men de berichtgeving, zover die er in die tijd was, op de voet volgde. Aan iedereen die uit de omgeving van de Rijn kwam vroeg men hoe hoog het water stond en of het ijs al begon te kruien. Het kruiende ijs had zo'n enorme kracht dat het een dijk kon doen bezwijken.

Geen wonder dat de bevolking bang werd toen na zo'n lange vorstperiode de dooi intrad en het regen- en smeltwater over en onder de ijsvlakte en tussen de ijsschotsen door haar weg moest vinden. Bij het loskomen van het ijs op de rivier ontstonden enorme ijshopen waardoor het water er niet meer langs kon. Het leger was paraat en probeerde met dynamiet de ijsbergen uit elkaar te knallen.

Het Algemeen Handelsblad schrijft op 18 januari 1891: 'Ook de bewoners der Betuwe zien het losgaan van den Rijn en de Waal, tusschen welke groote rivieren zij ingesloten zijn, met angst tegemoet. Velen der Betuw bewoners hebben bereids booten of schuiten op hunne erven in gereedheid liggen voor het geval eene doorbraak van Rijn of Waal door ijsgang hen overvallen mocht, om zich daarin te redden.'

De Amerongsche Courant schrijft op 29-01-1891: 'VEENENDAAL - De firma wed. D.S. van Schuppen en Zoon heeft reeds maatregelen genomen om, mocht de ramp van dijkbreuk en overstroming plaats hebben, belangrijke schade zoveel mogelijk te voorkomen.'

Bij de Grebbedijk vertrouwt men het niet langer en gaat men op 26 januari over tot het nemen van maatregelen. In Het Nieuws van de Dag van woensdag 28 januari 1891 lezen we: 'Ter beveiliging van den Grebbedijk, die in 1855 doorbrak, wordt een kistdam gemaakt van de Grebbe tot Wageningen.' Diezelfde krant bericht verder dat het ijs nog onveranderd vast zit en de ijsgang nog niet op gang is gekomen. Het water is inmiddels in Wageningen in twee dagen tijd met 130 centimeter gestegen. Maar liefst 130 werklui en verschillende vrachtrijders zijn dag in dag uit aan het werk om de Grebbedijk met bekisting te verstevigen.

Op zondag 1 februari 1891 wordt het pas echt spannend. Die ochtend begon 's morgens om half vijf het ijs in de Rijn te kruien. De bevolking werd gewaarschuwd: Drie seinschoten werden gelost. Al snel liep het ijs weer vast maar om half elf kwam het ijs weer in beweging en men vreesde voor de dijken. Om 12 uur werden wederom drie seinschoten gelost omdat het ijs flink in beweging kwam.

Vanaf zaterdagmorgen was ondertussen het waterpeil alweer 38 centimeter gestegen. De rivier kruide de schotsen ijs, van tussen de 20 en 50 centimeter dikte, meters ver omhoog. Door de druk van het water brak de ijsdam gelukkig kapot en spoelden de ijsschotsen op de golven stroomafwaarts. 's Middags om drie uur was het gevaar van een dijkdoorbraak van de Grebbedijk geweken en daalde het peil in de rivier snel. 'Tal van nieuwsgierigen, ook uit de omstreken, togen naar den Rijn om de verbazende ijsmassa's te aanschouwen.'

'ÉENE ZEE GELIJK' Zoals boven vermeld, wisten de oudere Veenendalers wat een watersnood is. Op 5 maart 1855 klonken 's middags om half vier een viertal salvo's. Dit was het teken dat de Grebbedijk bezweken was en er een gat in de dijk was geslagen. Kort daarna werd ter waarschuwing de klok van de Oude kerk op de Markt in Veenendaal geluid. Het water kolkte met een noodgang de Gelderse Vallei in en 's avonds stroomde het water al door de straten van Veenendaal.

Honderden vluchten naar de Oude Kerk op de Markt die droog bleef. Weer anderen vluchten naar de bovenverdieping van hun woning. De verslaggever van de Leydse courant schrijft: ,,De nood in Veenendaal is onbeschrijfelijk. Alles is eene zee gelijk." Koning Willem III bezoekt tot tweemaal Veenendaal en zegt hulp toe. Ook brengt hij een wagon vol levensmiddelen mee.

Ruim 400 inwoners worden geëvacueerd naar de Geertekerk in Utrecht en keren pas op 16 april terug. In Veenendaal verdrinken op 6 maart zes personen onder wie een kind van 17 maanden, 4,11,13 en 17 jaar uit een gezin. Op 21 maart verdrinken nog eens vijf inwoners van Veenendaal. Nabij de Stationssingel staat langs de Kerkewijk een monument ter nagedachtenis aan hen. De hoogte van het monument geeft de hoogte van de waterstand aan.  

De spanning van het hoge water met het kruiende ijs ging in 1891 ook niet aan Veenendaal voorbij, zo blijkt uit het onderstaande gedicht van de Veenendaler Verhoef hetwelk hij omstreeks de jaarwisseling 1891/92 heeft gedicht onder de titel: 'Herdenken des jaars onzes Heere 1891. Ook hieruit blijkt dat men zijn huisraad al naar boven bracht en de dichter zag het als een wonder Gods dat de ijsdam bij Wageningen zo snel was verdwenen'.

Zoo snelle de jaren

Zoo vliegt tans de tijd

Met hun rampe en gevaren

Naar een besliste eeuwigheid

Zoo staan wij ook heden

Aan het einde van 't jaar

Gedenke w ook, nu aan het verleden

Aan al de rampen en het gevaar

Wat ons ook heeft gedreigt

En wat ons over kwam

En onze harte heeft geheigt

Dat de Heere het van ons nam

Gedenke wij ook nu nog heden

Aan die strenge winter kouw

Maar ook aan Zein weldadigheden

Aan Zein liefde en Zein trouw

God gaf dat genadig de koude verdween

Hoe wel het tans ook moog zijn

Maar toen kwamen alle smarte bijeen

Van het overstroomen der Rijn

T was aan den avond van de dag des Heeren

Meenigeen bestierf als een lijk

En deet in smart en vrees verkeren

Alleen door de Grebberse dijk

Nog hoorde men Zijn naam nog tergen

En alles was in rep en roer

Begon alles al te bergen

Van burger tot de boer

En zogt reeds al met ter haast

Door vrees der Grebberdijk

Veele zogte op de hoogste plaats

Aldaar een vijlige wijk

Iedereen die zat in nood

O wonderlijk Gods bestier

Zoo ging een ieder klein en groot

Kijke naar 't gints Rievier

Het water steeg al meer om hoog

En daar bij 't golf geklots

Daar ook zag zo meenig oog

Een eisdam als een rots

Wie weet tans hoe meenig zugt

In dit droefagstig lot

Ja waar ook anders heen gevlugt

Dan alleen naar Jakobs God

Gemeente ook van Veenendaal

De Heere helpt u menigmaal

De eere aan den Heere alleen

Dit wonder van belang

De eisdam, die zoo ras verdween

En het water had zijn gang

Nauwelijks 't was gevaar geweken

De wonderen van des 's Heeren daan

Of het volk ging alweer vergeten

Wat de Heere had gedaan